Zoeken

Verzwijging eerste pandrecht, bestuurder aansprakelijk?

Auteur(s):
Publicatie:
Nieuwsbrief Balans
Datum:
5 maart 2010
 
Tell a friend RSS feed

Vind een medewerker

Naam:
Branche: Rechtsgebied:

Verzwijging eerste pandrecht, bestuurder aansprakelijk?


Bij het verstrekken van een pandrecht op vorderingen (bijvoorbeeld in het kader van het aangaan van een kredietovereenkomst) is het gebruikelijk dat de verstrekker van dat pandrecht verklaart of die vorderingen al eerder (aan een ander) zijn verpand of anderszins zijn bezwaard. Onlangs heeft de rechtbank Rotterdam vonnis gewezen in een kwestie waarbij de bestuurder in strijd met de waarheid heeft verklaard dat de bank een eerste pandrecht op de vorderingen van de vennootschap op derden zou verkrijgen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de desbetreffende bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de door de Rabobank geleden schade.

Feiten


Polydesign B.V. is een vennootschap met drie aandeelhouders en drie bestuurders. Omdat Polydesign B.V. extra krediet nodig had, is Polydesign B.V. in 2006 met de Rabobank een kredietovereenkomst aangegaan. Zoals gebruikelijk heeft de Rabobank daarbij diverse zekerheden bedongen. Zo heeft de bank bedongen dat de drie bestuurders zich allen hoofdelijk borg dienden te stellen voor een bedrag van maximaal € 25.000,-. Voorts is bedongen dat alle vorderingen van Polydesign B.V. op derden ten gunste van de Rabobank zijn verpand.

De bestuurders hebben bij het aangaan van de kredietovereenkomst onder meer verklaard dat er geen andere zekerheidsrechten op voornoemde vorderingen rusten. Deze verklaring blijkt in strijd met de waarheid te zijn aangezien een van de drie bestuurders (hierna: “bestuurder X”), al eerder stille pandrechten op voornoemde vorderingen heeft verleend ten behoeve van zichzelf en diens vennootschappen.

Vervolgens wordt bestuurder X op enig moment ontslagen. Binnen korte tijd na het ontslag van bestuurder X gaat de vennootschap failliet. De debetstand van de vennootschap bij de Rabobank bedraagt op de faillissementsdatum ruim € 29.000,-. Als de Rabobank vervolgens tracht haar bedongen zekerheidsrechten uit te winnen komt zij (gedeeltelijk) van een koude kermis thuis. De verpande vorderingen blijken als gevolg van de eerdere verpanding immers waardeloos. De Rabobank wenst vervolgens de door haar geleden schade te verhalen op bestuurder X.

De procedure


Borgstelling
Allereerst tracht de Rabobank zich te verhalen op de door bestuurder X afgegeven borgstelling. Bestuurder X zegt daarover dat een beroep op de door hem afgegeven borgstelling niet langer opgaat mede omdat hij – als gevolg van zijn ontslag – niet langer invloed had op de (oplopende) debetstand van de Vennootschap. Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank oordeelt dat bestuurder X op grond van de door hem afgegeven borgstelling gehouden is € 25.000,- aan de Rabobank te voldoen.

Onrechtmatig handelen?
Dan komt aan de orde de vraag of bestuurder X jegens de Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld door de eerder gevestigde pandrechten te verzwijgen. De rechtbank verwijst daarbij naar een recente uitspraak van de Hoge Raad. In geval van benadeling van een schuldeiser door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan de bestuurder die bewerkstelligd of toegelaten heeft dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt, aansprakelijk gehouden moet worden. Daartoe is noodzakelijk dat het handelen van de bestuurder in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is, dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat bestuurder X door het bestaan van de eerder gevestigde pandrechten te verzwijgen, onrechtmatig heeft gehandeld. Bestuurder X wist – of had moeten weten – dat het verschaffen van zekerheid voor de Rabobank een cruciale voorwaarde was voor het verschaffen van het krediet. Het verleende krediet stond in directe relatie tot de waarde van de verschafte zekerheden. Door de bewuste onjuiste verklaring (en de verzwijging) heeft de Rabobank op onjuiste gronden een krediet verschaft aan de vennootschap. Hiervan kan bestuurder X een ernstig verwijt worden gemaakt.

Bestuurder X heeft zich nog verweerd door te stellen dat de Rabobank nagelaten heeft om zelf onderzoek te doen (in het Handelsregister bijvoorbeeld) naar de vraag of de vorderingen niet al eerder verpand waren: “ Het was immers bekend uit de jaarstukken, deze zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, het staat op de balans en het blijkt uit andere stukken vanaf 1998. Ik kan me niet voorstellen dat een bank op los zand krediet verstrekt, het zijn geen domme jongens en ik snap niet wat ik nog meer had moeten doen.”

De rechtbank heeft dit verweer gepasseerd aangezien de vermeende nalatigheid van de Rabobank niets afdoet aan het feit dat bestuurder X opzettelijk een onjuiste (en onrechtmatige) verklaring heeft afgelegd. Bestuurder X heeft derhalve onrechtmatig gehandeld en is gehouden om de door de Rabobank geleden schade te vergoeden.

De uitspraak


Bestuurder X wordt door de rechtbank veroordeeld om de volledige schade van de Rabobank (bestaande uit het debetsaldo te vermeerderen met de contractuele rente) aan de Rabobank te voldoen. Een deel van de te betalen schade (ad € 25.000,-) is gebaseerd op de door de bestuurder afgegeven borgstelling en het restant (ruim € 4.000,-) betreft de als gevolg van de gepleegde onrechtmatige daad te betalen schadevergoeding.