Onjuist oordeel Arbodienst: wie is verantwoordelijk?
Indien de re-integratie-inspanningen onder de maat zijn, kan het UWV een loonsanctie opleggen. Veel werkgevers vinden zo’n sanctie onrechtvaardig: ze volgden immers de adviezen van hun bedrijfsarts of arbodienst. Beoordelen de verzekeringsarts van het UWV en de bedrijfsarts de benutbare mogelijkheden van de werknemer verschillend, dan is volgens het UWV dit verschil in beoordeling voor risico van de werkgever. Sommige rechtbanken zagen dit de afgelopen twee jaar anders, maar de Centrale Raad van Beroep bleek onlangs strenger in de leer.
De verplichting tot loondoorbetaling eindigt na twee jaar (de wachttijd) alleen als de werkgever heeft aangetoond dat hij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Als aan het eind van de wachttijd de werknemer nog niet volledig aan het werk is, beoordeelt het UWV die re-integratie-inspanningen altijd. Bij onvoldoende inspanningen verlengt het UWV de loondoorbetalingsverplichting standaard met een jaar. De werkgever kan wel een verkorting aanvragen als de tekortkoming is opgeheven.
Volgens het UWV introduceerde de wetgever een soort risicoaansprakelijkheid toen hij het UWV de taak gaf de re-integratie-inspanningen van de werkgever te beoordelen en de loonsanctie introduceerde. Als de bedrijfsarts de arbeidsongeschiktheid van de werknemer onjuist inschat of de arbodienst op grond van het medisch oordeel onvoldoende maatregelen inzet, is dit voor risico van de werkgever.
Medisch inhoudelijk
Tegen de aanname van een risicoaansprakelijkheid hebben werkgevers zich verzet. Rechtbank Assen gaf als eerste een werkgever op dit principiële onderdeel gelijk. De rechtbank beperkte haar oordeel overigens bewust tot gevallen waarin de bedrijfsarts de arbeidsongeschiktheid op medisch inhoudelijke gronden anders (onjuist?) beoordeelde dan de verzekeringsarts van het UWV. Uitzonderingen daargelaten kon het UWV de werkgever voor dergelijke fouten niet verantwoordelijk houden. De werkgever beschikt immers niet over de bijzondere expertise van de bedrijfsarts en heeft geen toegang tot het medisch dossier. Betrof het administratieve verzuimen, zoals het ontbreken van een plan van aanpak of een onvolledig re-integratieverslag, dan bleef de werkgever verantwoordelijk. Veel rechtbanken hebben deze lijn overgenomen, maar onlangs vernietigde de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van Rechtbank Assen.
Het UWV had in deze zaak de werkgever een loonsanctie van 52 weken opgelegd. Vast stond dat alleen nog re-integratie in het tweede spoor (bij een andere werkgever) mogelijk was. Het UWV vond dat de werkgever daar te laat mee was begonnen. Volgens de werkgever had het UWV onvoldoende gemotiveerd dat hij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht door te varen op het foutieve advies van de bedrijfsarts. Ook de motivatie dat hij te laat het tweede spoor had ingezet was onvoldoende.
Rechtbank Assen gaf de werkgever in beroep op een principieel punt gelijk: omdat de bedrijfsarts over specifieke deskundigheid beschikt en de werkgever geen toegang heeft tot het medisch dossier, rust op werkgevers geen risicoaansprakelijkheid als zij het advies van de bedrijfsarts opvolgen, tenzij er duidelijke contra-indicaties zijn. Ook zou de wetgever volgens de rechtbank geen risicoaansprakelijkheid hebben geïntroduceerd. Toch verliest de werkgever de procedure. De rechtbank geeft hem in principe gelijk, maar terecht aangevoerde ‘motiveringsklachten’ hoeven niet tot een andere uitkomst te leiden. Bovendien bleek dat de werkgever echt te laat met de re-integratie in het tweede spoor was begonnen.
Centrale Raad van Beroep
De CRvB komt langs twee wegen tot het oordeel dat het UWV terecht een loonsanctie heeft opgelegd. Aan de ene kant deelt de CRvB de mening van de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de bedrijfsarts van de werkgever op een bepaald moment heeft aangegeven dat de werknemer ongeschikt was voor haar eigen werk en dat re-integratie gericht moest zijn op werkhervatting in ander werk bij een andere werkgever. Of de werkgever op de hoogte was van die aanwijzing blijkt niet uit de uitspraak. Aan de andere kant oordeelt de CRvB op het formele punt anders dan de rechtbank: werkgevers zijn en blijven verantwoordelijk voor de re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers. Die verantwoordelijkheid impliceert ook verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde diensten door de arbodienst. Geeft de arbodienst verkeerde adviezen, dan moet de werkgever de arbodienst maaraansprakelijk stellen voor de schade.
Poortwachtergarantie
Wat kan een werkgever nu doen? De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep maakt duidelijk dat een werkgever zich niet kan verschuilen achter het foutieve oordeel van de medisch deskundige. Een beroep tegen het oordeel van het UWV maakt alleen nog een kans als de werkgever het medisch-inhoudelijk oordeel van de verzekeringsarts met succes kan bestrijden. Daar heeft hij in ieder geval hulp bij nodig, bijvoorbeeld van de arbo-arts of een onafhankelijke derde. Lukt dat niet – of ziet een werkgever dat niet zitten – dan is het nog maar de vraag of de arbodienst of bedrijfsarts aansprakelijk gehouden kunnen worden voor een onjuist oordeel.. Des te belangrijker is het dan dat de verzekeraar of arbodienst een zogenaamde ‘poortwachtergarantie’ biedt.

