Zoeken

Onderneming, huwelijkse voorwaarden en faillissement. Niet altijd een goed huwelijk

Auteur(s):
Datum:
28 juni 2010
 
Tell a friend RSS feed

Vind een medewerker

Naam:
Branche: Rechtsgebied:

Onderneming, huwelijkse voorwaarden en faillissement. Niet altijd een goed huwelijk!

In de praktijk wordt er veelvuldig vanuit gegaan dat echtgenoten door het opstellen van huwelijkse voorwaarden elkaar buiten schot kunnen houden in geval van een faillissement.

In het geval waarin één van de echtgenoten een onderneming drijft, worden daarom ook vaak huwelijkse voorwaarden opgesteld en wordt, bijvoorbeeld, een woning op naam van de andere echtgenoot gezet. De gedachte hierachter is dat voor het geval het mis mocht gaan met de onderneming, deze woning, en de overige vermogensbestanddelen, niet in het faillissement vallen. Maar let op; zo eenvoudig werkt het in de praktijk niet altijd!

Ondanks het feit dat echtgenoten op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd, en de woning uitsluitend op naam van de niet-gefailleerde echtgenoot staat, kan de woning toch geheel in het faillissement vallen.

Dit volgt onder meer uit een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2009. De partijen, waarop de betreffende uitspraak betrekking heeft, waren op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. De huwelijkse voorwaarden sloten iedere gemeenschap van goederen uit. Daarnaast was in de huwelijkse voorwaarden een zogenoemd Amsterdams verrekenbeding opgenomen, op basis waarvan de overgespaarde inkomsten, na afloop van ieder jaar, behoren te worden verdeeld.

Tijdens het huwelijk van partijen heeft de vrouw een woning gekocht, welke alleen op haar naam is gesteld. De woning is grotendeels gefinancierd met een hypothecaire geldlening, waarvoor, naast de vrouw, ook de man hoofdelijk schuldenaar was. Omdat de hypothecaire geldlening aflossingsvrij was, is er gedurende het huwelijk niets op de lening afgelost. De rente die voor de hypotheek diende te worden voldaan, werd betaald van het inkomen van de vrouw. Dit inkomen bestond gedeeltelijk uit een door de man aan de vrouw betaalde onderhoudsverplichting. Echtgenoten zijn immers op grond van de wet verplicht “elkaar het nodige te verschaffen”.

Enige tijd na aankoop van de woning is de man gefailleerd. Omdat de inkomsten van de man, naar de mening van de curator, zijn aangewend voor betaling van de hypotheeklasten, is de woning niet uitsluitend gefinancierd met privémiddelen van de vrouw. Om die reden stelt de curator zich op het standpunt dat de woning, ondanks het feit dat de woning op naam staat van de vrouw, valt in het faillissement.

De vrouw heeft echter aangevoerd dat zij de woning wel degelijk met eigen middelen heeft gefinancierd. Het bedrag dat de man aan de vrouw heeft betaald, was slechts ter voldoening van zijn verplichting tot onderhoud ten opzichte van haar. Hetgeen de man aan de vrouw betaalde, is dus tot haar vermogen gaan behoren en met dat vermogen, dus het vermogen van de vrouw, is de rente van de hypotheek betaald. Daarnaast stelt de vrouw dat de man niet heeft kunnen bijdragen aan de financiering van de woning, omdat de man, gezien de aflossingsvrije hypotheek, niet heeft meebetaald aan de aflossing. Bovendien stond de woning ook nog eens uitsluitend op naam van de vrouw. De vrouw is dan ook van mening dat de woning niet in het faillissement valt.

De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de woning van partijen wél in het faillissement van de man valt. Naar het oordeel van de rechtbank is immers niet vast komen te staan, dat de woning alleen met privémiddelen van de vrouw is voldaan, omdat uit de overmaking van de gelden van de man aan de vrouw niet blijkt, dat de man niet meebetaalde aan de hypotheeklasten. Bovendien is het naar de mening van de rechtbank aannemelijk dat de man bijdroeg in de kosten van de hypotheek, omdat de man tevens hoofdelijk schuldenaar was voor de hypothecaire geldlening.

Het opstellen van huwelijkse voorwaarden, en het op naam zetten van de woning van de (niet ondernemende) echtgenoot, biedt, in geval van faillissement, dus niet altijd de beoogde zekerheid. Het niet vallen van de woning in een faillissement is alleen het geval, indien de niet gefailleerde echtgenoot kan bewijzen dat de woning volledig is gefinancierd met zijn of haar privémiddelen. De bewijslast van deze financiering, met uitsluitend privémiddelen, ligt bij de echtgenoten. Van groot belang is dan ook dat de echtgenoten een goede administratie voeren, waaruit blijkt dat de woning (en de overige vermogensbestanddelen) van de niet failliete echtgenoot buiten het faillissement dienen te blijven. Deze administratie is dus ook geboden voor echtgenoten die op huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn gehuwd.