Zoeken

Non-conformiteit en de 'onvoorzichtige' koper

Auteur(s):
Publicatie:
Juridisch up to Date
Datum:
21 september 2010
 
Tell a friend RSS feed

Vind een medewerker

Naam:
Branche: Rechtsgebied:

Non-conformiteit en de 'onvoorzichtige' koper


Inleiding

Op 21 mei 2010 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin de invloed van een 'onvoorzichtige' koper op het aannemen van non-conformiteit centraal stond (LJN: BL8295, NJ 2010, 275). De Hoge Raad geeft in het arrest aan dat de omstandigheid dat koper bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met de afwezigheid van een bepaalde eigenschap mede bepalend is voor de vraag welke eigenschappen een koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. In dit artikel zal kort het wettelijk kader van non-conformiteit worden besproken zoals geregeld in artikel 7:17 e.v. BW. Na de casuspositie en het arrest te hebben besproken zal in het commentaar nader worden stilgestaan bij de onderzoeksplicht van de koper en lid 5 van artikel 7:17 BW.

Wettelijk kader non-conformiteit

De hoofdregel bij non-conformiteit is dat een afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden (artikel 7:17 lid 1 BW). De eerste volzin van lid 2 van artikel 7:17 BW geeft hieraan een nadere invulling; “ Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij (…) niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten”. Hieronder vallen materiële verschillen in eigenschappen – waaronder begrepen ongewenste eigenschappen die juist wél aanwezig zijn – tussen overeenkomst en de afgeleverde zaak.

Wat de koper “ mocht verwachten” hangt af van alle relevante omstandigheden van het geval (vgl. HR 23 november 2007, NJ 2008, 553). In artikel 7:17 BW worden als omstandigheden genoemd de aard van de zaak en de mededelingen gedaan door de verkoper. Andere relevante omstandigheden kunnen zijn de prijs, de omstandigheden waaronder een zaak wordt gekocht en de hoedanigheid van de partijen. Wat de koper in ieder geval mag verwachten, is dat de zaak de eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor bijzonder gebruik dat in de overeenkomst is voorzien (artikel 7:17 lid 2 BW). Met de woorden “ eigenschappen (…) waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen” in lid 2 van artikel 7:17 BW wordt gerefereerd aan de onderzoeksplicht, die – wederom – afhankelijk van de omstandigheden van het geval op de koper kan rusten. Hierbij dient opgemerkt te worden dat, evenals bij dwaling, in beginsel de schending van een mededelingsplicht zwaarder weegt dan een schending van de onderzoeksplicht, tenzij de rechter goed motiveert waarom dat in het specifieke geval anders is (zie HR 14 november 2008, NJ 2009, 588).

Ter implementatie van de Richtlijn consumentenkoop en garanties is in lid 5 van artikel 7:17 BW opgenomen dat de koper geen beroep op non-conformiteit kan doen indien hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met het feit dat de zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst. Lid 5 legt geen onderzoeksplicht op aan de koper maar voorkomt dat de koper zich erop beroept dat het gebrek hem onbekend was, terwijl het gebrek hem vrijwel onmogelijk kon zijn ontgaan. Hoewel daarvoor bedoeld in de Richtlijn, is lid 5 niet beperkt tot consumentenkoop.

Casus

Op 12 maart 1994 hebben Korea Trade and Distribution Centre (“KTDC”) en distributeur Impro Hergiswil A.G. (“Impro”) een distributieovereenkomst gesloten ten aanzien van de exclusieve distributierechten van de zogeheten 'Fuel Saver'. De Fuel Saver is een product dat het brandstofverbruik van auto’s zou verlagen en de uitstoot van uitlaatgassen zou verminderen. Op 24 mei 1994 hebben KTDC en Impro een tweede distributieovereenkomst gesloten die de eerste distributieovereenkomst vervangt en waarin een afnameverplichting voor Impro is opgenomen. Voorafgaand aan het aangaan van de tweede distributieovereenkomst heeft TNO Impro bericht dat uit het ten behoeve van Impro verrichte onderzoek niet kan worden geconcludeerd dat de Fuel Saver daadwerkelijk brandstof bespaart. Ook uit onderzoeken van o.a de ANWB ná totstandkoming van de tweede distributieovereenkomst is gebleken dat de Fuel Saver geen brandstofbesparende werking heeft en wordt verder geconcludeerd dat de Fuel Saver de uitstoot van schadelijke bestanddelen niet vermindert. Op basis van de eerste distributieovereenkomst sluiten KTDC en Impro twee koopovereenkomsten en op basis van de tweede distributieovereenkomst een derde koopovereenkomst. Na de derde koopovereenkomst heeft Impro geen Fuel Savers meer afgenomen en voldoet zij niet aan haar afnameverplichting onder de tweede distributieovereenkomst. KTDC roept op 4 maart 1996 de ontbinding van de tweede distributieovereenkomst in. Hierop betrekt Impro KTDC in rechte en doet een beroep op non-conformiteit.

Uitspraak

In eerste aanleg ontbindt de rechtbank Rotterdam de eerste distributieovereenkomst en de daaruit voortvloeiende koopovereenkomsten wegens wanprestatie. Ten aanzien van de tweede distributieovereenkomst komt, aldus de rechtbank, Impro als onvoorzichtige koper geen bescherming toe omdat zij ondanks haar bekendheid met de verontrustende testresultaten op 24 mei 1994 een tweede distributieovereenkomst met KTDC is aangegaan.

Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam ten aanzien van de tweede distributieovereenkomst. Het hof overweegt dat de bekendheid of het redelijkerwijs bekend moeten zijn met het ontbreken van de brandstofbesparende werking niets afdoet aan het feit dat Impro op grond van de mededelingen van KTDC mocht verwachten dat de Fuel Saver een brandstofbesparende werking had en dat terzake op haar geen onderzoeksverplichting rustte zodat er sprake is van non-conformiteit. Vervolgens beslist het hof dat het beroep op non-conformiteit door Impro en de verzochte rechtsgevolgen (ontbinding en schadevergoeding) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, met de toevoeging dat eenzelfde regel thans ook is neergelegd in lid 5 van artikel 7:17 BW en wijst de vordering van Impro af.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof. Of de Fuel Savers, ofschoon zij geen brandstof besparen, voldoen aan de overeenkomst dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Het hof heeft slechts van betekenis geacht wat KTDC zelf met betrekking tot de eigenschap van brandstofbesparing uitging en hetgeen KTDC daarover aan Impro heeft medegedeeld, maar niet tevens de omstandigheid dat Impro met de afwezigheid van het brandstofbesparend effect bekend was dan wel redelijkerwijze bekend had kunnen zijn. Nu deze omstandigheid mede bepalend is voor het antwoord op de vraag welke eigenschappen Impro op grond van de overeenkomst mocht verwachten, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Commentaar

Hoewel de naam anders doet vermoeden blijkt uit verschillende onderzoeken dat de Fuel Saver geen brandstofbesparende werking heeft. Het hof concludeert dat distributeur Impro ten tijde van het sluiten van de tweede distributieovereenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met het ontbreken van de brandstofbesparende werking. Het hof betrekt de bekendheid van Impro met het ontbreken van de brandstofbesparende werking van de Fuel Saver in de vraag of Impro een beroep op non-conformiteit kan doen, zoals thans is geregeld in lid 5 van artikel 7:17 BW. De Hoge Raad maakt duidelijk dat de bekendheid met of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met het ontbreken van een eigenschap een omstandigheid is die moet worden meegenomen in de vraag wat de koper “ mocht verwachten” (lid 2) en dus primair aan bod komt bij de vraag of er sprake is van non-conformiteit en niet bij de vraag of non-conformiteit ingeroepen kan worden (lid 5). Hoewel lid 5 bij een eerste lezing toepasbaar lijkt in dergelijke gevallen, heeft lid 5 in de praktijk een zeer geringe betekenis door de onderzoeksplicht van de koper zoals deze is neergelegd in lid 2.

Voor de 'onvoorzichtige' koper houdt dit in dat twijfel over een bepaalde eigenschap de vraag kan beïnvloeden wat de koper mocht verwachten en dus of er sprake is van non-conformiteit. Indien de koper gerede twijfel heeft ten aanzien van een bepaalde eigenschap, dient deze twijfel te worden weggenomen omdat deze anders de verwachting beïnvloed. In de literatuur gaat een groot aantal schrijvers er vanuit dat de hieruit voortvloeiende onderzoeksplicht verder gaat dan gewoonlijk bij dwaling. Zie in dat kader bijvoorbeeld ook HR 20 maart 2009, LJN: BG8788 waarin de Hoge Raad oordeelde dat het feit dat asbest door metselwerk en spaanplaat aan het oog was onttrokken en alleen door breekwerkzaamheden kon worden achterhaald, voor de koper onvoldoende grond opleverde om daarnaar geen nader onderzoek te doen.

Voor de praktijk verdient het dan ook de aanbeveling om bij gerede twijfel over een (essentiële) eigenschap nader onderzoek te doen tot de twijfel is weggenomen of dit te ondervangen in de overeenkomst. Dit laatste kan door het opnemen van een clausule in de overeenkomst dat partijen uitgaan van een duidelijke omschreven eigenschap of – verdergaand – door het opnemen van een garantie dat een bepaalde eigenschap aanwezig is. Doet een 'onvoorzichtige' koper dit niet, dan bestaat het risico dat de zaak voldoet aan hetgeen hij mocht verwachten en in dat geval is er geen sprake van non-conformiteit.