Non-conformiteit en de 'onvoorzichtige' koper
Inleiding
Wettelijk kader non-conformiteit
Wat de koper “ mocht verwachten” hangt af van alle relevante omstandigheden van het geval (vgl. HR 23 november 2007, NJ 2008, 553). In artikel 7:17 BW worden als omstandigheden genoemd de aard van de zaak en de mededelingen gedaan door de verkoper. Andere relevante omstandigheden kunnen zijn de prijs, de omstandigheden waaronder een zaak wordt gekocht en de hoedanigheid van de partijen. Wat de koper in ieder geval mag verwachten, is dat de zaak de eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor bijzonder gebruik dat in de overeenkomst is voorzien (artikel 7:17 lid 2 BW). Met de woorden “ eigenschappen (…) waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen” in lid 2 van artikel 7:17 BW wordt gerefereerd aan de onderzoeksplicht, die – wederom – afhankelijk van de omstandigheden van het geval op de koper kan rusten. Hierbij dient opgemerkt te worden dat, evenals bij dwaling, in beginsel de schending van een mededelingsplicht zwaarder weegt dan een schending van de onderzoeksplicht, tenzij de rechter goed motiveert waarom dat in het specifieke geval anders is (zie HR 14 november 2008, NJ 2009, 588).
Ter implementatie van de Richtlijn consumentenkoop en garanties is in lid 5 van artikel 7:17 BW opgenomen dat de koper geen beroep op non-conformiteit kan doen indien hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met het feit dat de zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst. Lid 5 legt geen onderzoeksplicht op aan de koper maar voorkomt dat de koper zich erop beroept dat het gebrek hem onbekend was, terwijl het gebrek hem vrijwel onmogelijk kon zijn ontgaan. Hoewel daarvoor bedoeld in de Richtlijn, is lid 5 niet beperkt tot consumentenkoop.
Casus
Uitspraak
Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam ten aanzien van de tweede distributieovereenkomst. Het hof overweegt dat de bekendheid of het redelijkerwijs bekend moeten zijn met het ontbreken van de brandstofbesparende werking niets afdoet aan het feit dat Impro op grond van de mededelingen van KTDC mocht verwachten dat de Fuel Saver een brandstofbesparende werking had en dat terzake op haar geen onderzoeksverplichting rustte zodat er sprake is van non-conformiteit. Vervolgens beslist het hof dat het beroep op non-conformiteit door Impro en de verzochte rechtsgevolgen (ontbinding en schadevergoeding) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, met de toevoeging dat eenzelfde regel thans ook is neergelegd in lid 5 van artikel 7:17 BW en wijst de vordering van Impro af.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof. Of de Fuel Savers, ofschoon zij geen brandstof besparen, voldoen aan de overeenkomst dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Het hof heeft slechts van betekenis geacht wat KTDC zelf met betrekking tot de eigenschap van brandstofbesparing uitging en hetgeen KTDC daarover aan Impro heeft medegedeeld, maar niet tevens de omstandigheid dat Impro met de afwezigheid van het brandstofbesparend effect bekend was dan wel redelijkerwijze bekend had kunnen zijn. Nu deze omstandigheid mede bepalend is voor het antwoord op de vraag welke eigenschappen Impro op grond van de overeenkomst mocht verwachten, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Commentaar
Voor de 'onvoorzichtige' koper houdt dit in dat twijfel over een bepaalde eigenschap de vraag kan beïnvloeden wat de koper mocht verwachten en dus of er sprake is van non-conformiteit. Indien de koper gerede twijfel heeft ten aanzien van een bepaalde eigenschap, dient deze twijfel te worden weggenomen omdat deze anders de verwachting beïnvloed. In de literatuur gaat een groot aantal schrijvers er vanuit dat de hieruit voortvloeiende onderzoeksplicht verder gaat dan gewoonlijk bij dwaling. Zie in dat kader bijvoorbeeld ook HR 20 maart 2009, LJN: BG8788 waarin de Hoge Raad oordeelde dat het feit dat asbest door metselwerk en spaanplaat aan het oog was onttrokken en alleen door breekwerkzaamheden kon worden achterhaald, voor de koper onvoldoende grond opleverde om daarnaar geen nader onderzoek te doen.
Voor de praktijk verdient het dan ook de aanbeveling om bij gerede twijfel over een (essentiële) eigenschap nader onderzoek te doen tot de twijfel is weggenomen of dit te ondervangen in de overeenkomst. Dit laatste kan door het opnemen van een clausule in de overeenkomst dat partijen uitgaan van een duidelijke omschreven eigenschap of – verdergaand – door het opnemen van een garantie dat een bepaalde eigenschap aanwezig is. Doet een 'onvoorzichtige' koper dit niet, dan bestaat het risico dat de zaak voldoet aan hetgeen hij mocht verwachten en in dat geval is er geen sprake van non-conformiteit.

