Zoeken

Melding betalingsonmacht en de aansprakelijke bestuurder, de wet gewijzigd!

Auteur(s):
Datum:
18 augustus 2010
 
Tell a friend RSS feed

Vind een medewerker

Naam:
Branche: Rechtsgebied:

Melding betalingsonmacht en de aansprakelijke bestuurder: de wet gewijzigd!

Een onderneming die (tijdelijk) haar belastingverplichtingen (in het bijzonder voor de BTW en de Loonbelasting) niet kan nakomen moet dat melden aan de Belastingdienst. Doet hij dat niet dan kan dat bijvoorbeeld leiden tot de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Als ondernemer wist u dat, maar wist u ook van de recente wetswijziging en de gevolgen daarvan voor u.

Tot 4 juli 2010 bepaalde art . 36, lid 2 Invorderingswet 1990 dat de bestuurder van een belastingplichtig lichaam dat niet tot betaling van de verschuldigde belasting, in staat is, deze betalingsonmacht te melden bij de Ontvanger van de Belastingdienst. Op basis van een arrest van de Hoge Raad d.d. 25 september 1991 was de meldingvorm vrij. Tot 4 juli 2010 leidde feitelijk dan ook alleen het niet tijdig melden van betalingsonmacht bij de Ontvanger van de Belastingdienst tot een wettelijk (en vrijwel onweerlegbaar *) vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid van de bestuurder voor niet betaalde belastingen.
Let op: het is de ondernemer zelf die de melding betalingsonmacht moet doen.

Bij de Wet Overige Fiscale Maatregelen 2010 is art. 36, lid 2 Invorderingswet 1990 gewijzigd (ingevoerd bij koninklijk besluit van 28 april 2010, Stb. 2010, 176).

De wijziging houdt in dat:

Met ingang van 4 juli 2010 de bestuurder van een belastingplichtig lichaam dat niet in staat is de verschuldigde loonheffing en of omzetbelasting te voldoen uitsluitend nog schriftelijk betalingsonmacht kan melden bij de ontvanger van de Belastingdienst.

Nu leidt dus ook het niet op juiste wijze melden van betalingsonmacht tot het wettelijke vermoeden en de aansprakelijkheid van de bestuurder.

* Alleen in gevallen waarin de bestuurder aannemelijk maakt dat hem of haar geen verwijt treft ten aanzien van het niet nakomen van de meldingsplicht, krijgt hij de kans het vermoeden van verwijtbaarheid met betrekking tot het niet betalen van de belastingschuld te weerleggen. In de praktijk een schier onmogelijke opgaaf.

Als gevolg van de mindere economische tijden is de melding betalingsonmacht steeds vaker onderwerp van gerechtelijke procedures .

Zo moest het Gerechtshof Arnhem in april van dit jaar oordelen over de vraag: “Moet een belastingschuldige (lees: het belastingplichtige lichaam) die belastingschulden niet (tijdig)betaalt, maar wel over voldoende financiële middelen beschikt, waarmee de belastingen kunnen worden betaald, toch een melding doen?”

Het Gerechtshof Arnhem vond van wel (Hof Arnhem 20 april 2010, JOR 2010/217 met noot van mr. A.J. Tekstra. Zie ook NTRF, 2010/146).

Volgens het Hof geldt dat indien een belastingschuldige, om wat voor reden dan ook, belastingen (in dit geval ging het om Loon- en Omzetbelasting) niet betaalt, hij de verplichting heeft daarvan melding te doen bij de Ontvanger van de Belastingdienst. Het aan art. 36, lid 2 Inv 1990 ten grondslag neergelegde wettelijk systeem brengt dit met zich volgens het Hof. Het enige alternatief is volgens het Hof betaling van de belastingschulden door de belastingplichtige.

Het Hof verwijst voor haar oordeel naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 1994 (13 juli 1994, BNB 1995/201). In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat de belastingschuldige slechts de keuze heeft tussen tijdig betalen of melden dat de belastingplichtige niet in staat is te betalen.

De aansprakelijk gestelde bestuurder verweerde zich met de stelling dat het niet tijdig doen van de melding hem niet verweten kon worden omdat hij veronderstelde dat de meldingsplicht pas ontstaat op het moment dat de vennootschap over onvoldoende financiële middelen beschikt om de belastingen te kunnen betalen. Gegeven haar oordeel vond dit verweer geen genade in de ogen van het Hof.

De aansprakelijk gestelde bestuurder kon dus niet aannemelijk maken dat hem geen verwijt trof ten aanzien van het niet nakomen van de meldingsplicht. Hij kreeg dus ook niet de kans het vermoeden van zijn verwijtbaarheid met betrekking tot het niet betalen van de belastingschuld te weerleggen en werd veroordeeld tot betaling van de onbetaald gelaten belastingschuld van in totaal € 11.801,00.

Het Hof wijst er in haar arrest nog op dat ook op de belastingplichtige die door computerproblemen geen aangifte kan doen de verplichting rust dat te melden. Immers, zo overweegt het Hof in navolging van HR 31 mei 1996, V-N 1996/2491, het niet kunnen doen van aangifte ontheft de belastingplichtige niet van de verplichting tot voldoening of afdracht van de belasting aan de Ontvanger van de Belastingdienst.

Mocht u over dit onderwerp of gerelateerde onderwerpen advies wensen en/of vragen hebben dan kunt u terecht bij:

Jeroen Fleers, advocaat bij Dijkstra Voermans Advocatuur & Notariaat (jeroen.fleers@dvan.nl)
en
Alfred Kers, Belastingadviseur bij BDO (alfred.kers@bdo.nl)