Kartelboete wasmiddelenfabrikanten voor ruim 315 miljoen EUR
De Europese Commissie heeft voor in totaal ruim 315 miljoen EUR aan geldboeten opgelegd aan Procter&Gamble en Unilever omdat zij (samen met Henkel) een kartel hadden lopen op de markt voor waspoeders voor huishoudelijk gebruik in acht EU-landen. In deze geldboete is een boetekorting van 10% verrekend omdat de beide ondernemingen de feiten hebben erkend en een vlotte afhandeling van het onderzoek hebben mogelijk gemaakt. Henkel kreeg boete-immuniteit omdat zij het bestaan van het kartel aan de Commissie onthulde. Deze drie ondernemingen zijn de leidende producenten van waspoeder in Europa. Het kartel liep zo'n drie jaar. Doel was het stabiliseren van marktposities en het coördineren van prijzen, hetgeen in strijd is met de Europese mededingingsregels. Dit is de derde kartelzaak waarin dit jaar wordt geschikt.
Het kartel betrof waspoeders voor gebruik in de wasautomaat. De Commissie beschikt over bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het kartel ten minste van 7 januari 2002 tot 8 maart 2005 liep Het kartel ontstond toen de ondernemingen via hun brancheorganisatie een initiatief opstartten om de milieuprestaties van wasmiddelen te verbeteren. Voor deze milieudoelstelling waren echter geen prijscoördinatie of andere concurrentiebeperkende praktijken nodig. Henkel, Procter&Gamble en Unilever lieten zich dan ook op eigen initiatief en op eigen risico in met deze praktijken.
Het kartel liep in België, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italië, Portugal, Spanje en Nederland. Adressaten van het besluit zijn niet alleen Henkel AG & Co KGaA, Unilever plc en Unilever NV, maar ook Procter&Gamble International S.à.r.l. en The Procter & Gamble Company, die als moedermaatschappijen van de P&G Group, hoofdelijk aansprakelijk gehouden worden voor de gedragingen van hun betrokken Europese dochterondernemingen.
Bij de berekening van de geldboeten is rekening gehouden met de betreffende omzet van de drie ondernemingen in de acht betrokken landen, het feit dat het een zeer ernstige inbreuk betrof, en het gecombineerde marktaandeel van de partijen. Aan Procter&Gamble is een boete opgelegd van ruim 211 miljoen EUR en aan Unilever 104 miljoen EUR.
Henkel kreeg volledige boete-immuniteit omdat zij als eerste de Commissie op de hoogte bracht. In juni 2008 voerde de Commissie in deze zaak inspecties uit. Nadien hebben ook Procter&Gamble en Unilever een clementieverzoek ingediend. De Commissie heeft rekening gehouden met het feit dat beide ondernemingen hun medewerking hebben verleend aan het onderzoek. Daarom heeft zij ook Procter&Gamble en Unilever een boetekorting. Bovendien kregen zij ook een boetekorting van 10% omdat zij de zaak met de Commissie hebben geschikt.
In de tweede helft van 2010 gingen de schikkingsgesprekken van start, nadat de ondernemingen hadden aangegeven dat zij bereid waren te schikken. In januari 2011 hebben zij allen hun aansprakelijkheid voor de inbreuk duidelijk en ondubbelzinnig hadden erkend.
(bron: Commissie)

