Is internetverkoop te verbieden?
Het Hof van Justitie heeft onlangs een belangrijke uitspraak gedaan over internetverkoop door distributeurs. Volgens het Hof heeft een bepaling in een selectieve distributieovereenkomst die distributeurs verbiedt om producten van de leverancier via internet te verkopen, de strekking de mededinging te beperken (en is daarmee in principe verboden), behalve wanneer deze bepaling objectief gerechtvaardigd is.
Het Europese - en Nederlandse - mededingingsrecht bepaalt dat overeenkomsten tot ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt, verboden zijn. Het zogenaamde ‘kartelverbod’. Slechts onder bepaalde voorwaarden geldt een uitzondering op dat verbod.
De feiten
Pierre Fabre Dermo-Cosmétique („PFDC”) is een onderneming van de groep Pierre Fabre. Zij vervaardigt cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten, die zij ook in de handel brengt. Zij heeft meerdere dochterondernemingen waaronder de laboratoria Klorane, Ducray, Galénic en Avène. Hun producten worden - onder deze merken - hoofdzakelijk via apotheken verkocht. Zowel op de Franse als de Europese markt.
De distributiecontracten voor de merken Klorane, Ducray, Galénic en Avène bepalen dat zij uitsluitend in een fysieke ruimte en in aanwezigheid van een gediplomeerde apotheker mogen worden verkocht, zodat in de praktijk elke vorm van verkoop via internet aan banden wordt gelegd.
In oktober 2008 heeft de Franse mededingingsautoriteit - Autorité de la concurrence - na onderzoek besloten dat vanwege het feitelijke verbod van verkoop via internet, de distributiecontracten van PFDC mededingingsbeperkende overeenkomsten waren die zowel met de Franse wetgeving als met het mededingingsrecht van de Europese Unie in strijd waren. De Autorité de la concurrence was namelijk van mening dat het verbod van verkoop via internet er noodzakelijkerwijs toe strekte om de mededinging te beperken en niet voor een uitzonderingsregeling in aanmerking kwam. PFDC heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Cour d’appel de Paris (Frankrijk), dat het Hof van Justitie de vraag heeft voorgelegd of een algemeen en absoluut verbod van verkoop op internet naar zijn strekking een ‘hard core’ beperking van de mededinging opleverde.
De uitspraak
Het Hof herhaalt eerst haar eerdere rechtspraak dat een selectief distributiestelsel in overeenstemming is met het mededingingsrecht, mits (1) de distributeurs worden gekozen aan de hand van objectieve criteria van kwalitatieve aard, die uniform voor alle distributeurs worden vastgesteld en niet discriminerend worden toegepast, en (2) de eigenschappen van het betrokken product een dergelijk stelsel vereisen om de kwaliteit ervan in stand te houden en een juist gebruik ervan te verzekeren en, (3) tot slot, de vastgestelde criteria niet verder gaan dan noodzakelijk is.
Het Hof oordeelt vervolgens dat de noodzaak om op de persoon toegesneden advies te geven en deze te beschermen tegen een onjuist gebruik van de producten, in het kader van de verkoop van receptvrije geneesmiddelen en contactlenzen geen rechtvaardiging oplevert voor een verbod van verkoop via internet.
Het Hof oordeelt ook dat de noodzaak om het prestigieuze imago van de producten van PFDC in stand te houden, geen objectieve doelstelling oplevert om de mededinging te beperken kan zijn.
Tenslotte herinnert het Hof partijen er nog eens aan dat een contractbepaling die in feite het gebruik van internet als verkoopmethode verbiedt, op zijn minst de strekking heeft passieve verkopen aan eindgebruikers, die via internet willen kopen en zich buiten het verzorgingsgebied van een lid van het selectieve distributiestelsel bevinden, te verbieden. En passieve (weder)verkoop in het gebied van een ander is in principe niet toelaatbaar.
Voor de praktijk is van belang dat als gevolg van deze uitspraak nog minder ruimte bestaat om distributeurs de verkoop via internet te verbieden.

