Besluit Belgische moeder tot wijziging statuten van Nederlandse dochter moet worden voorgelegd aan ondernemingsraad Nederlands dochter.
Onlangs heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (de “ OK”) van 14 oktober 2010 bevestigd, waarin de OK oordeelde dat de Belgische luchtvaartmaatschappij VLM advies had moeten vragen aan de ondernemingsraad (“ OR”) van VLM Nederland voor het besluit van VLM België om de statutaire doelomschrijving van VLM Nederland te wijzigen. Deze uitspraak is om twee redenen interessant.
De OK had geoordeeld dat VLM België een positie inneemt die haar stelselmatig en zodanig invloed op de besluitvorming binnen de onderneming van VLM Nederland verschaft, dat gezegd kan worden dat de onderneming van VLM Nederland mede door VLM België in stand wordt gehouden. Hierdoor moet VLM België als mede-ondernemer worden aangemerkt, met als gevolg dat de OR van VLM Nederland over het besluit van VLM België dient te adviseren. De Hoge Raad laat dit oordeel van de OK in stand.
Deze uitspraak bevestigt nog eens dat het voor de vraag of de OR een adviesrecht toekomt niet alleen van belang is wie het besluit neemt, maar gekeken moet worden naar de gevolgen van het besluit voor de onderneming. Zo kan het voorkomen dat het besluit van een (buitenlandse) moeder om een Nederlandse onderneming over te nemen moet worden voorgelegd aan de OR van haar Nederlandse dochter. Wordt dit advies niet gevraagd, dan kan de OR de OK verzoeken om het besluit te laten intrekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken.

