Belastingschuld, jouw of mijn verantwoordelijkheid?
De Hoge Raad heeft recent twee uitspraken gedaan over de kwalificatie van schulden ten gevolge van de Inkomstenbelasting (hierna: IB-schulden). Deze uitspraken zijn van belang voor de vraag in hoeverre de Belastingdienst een ex-echtgenoot kan aanspreken voor een IB-schuld van de ander. Kort samengevat komt het erop neer dat de Belastingdienst een ex-echtgenoot alleen kan aanspreken voor de helft van de IB-schuld die tijdens het bestaan van een gemeenschap van goederen is ontstaan en, vanzelfsprekend, nog niet is betaald.
Algemeen
· Privéschulden
Indien sprake is van een gemeenschap van goederen worden dit verknochte schulden genoemd. Dit komt heel weinig voor. Een voorbeeld van een verknochte schuld is de zogenaamde overbruggingsuitkering (afgekort OBU). Schulden die ontstaan tijdens het bestaan van huwelijkse voorwaarden zijn in beginsel privé, tenzij het huishoudelijke schulden zijn, ze gezamenlijk zijn aangegaan of als dit volgt uit de huwelijkse voorwaarden zélf.
· Gemeenschappelijke schulden die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Deze schulden worden voor het gemak ook wel huishoudelijke schulden genoemd. Je kunt hierbij denken aan boodschappen, maar ook aan een rekening van de huisarts of de tandarts.
· Andere gemeenschappelijke schulden, zoals een persoonlijke lening waarvoor beide echtgenoten hebben getekend en waarmee een niet-noodzakelijke auto is gekocht.
Een crediteur kan een ex-echtgenoot niet aanspreken voor een privéschuld van de ander. Bij gemeenschappelijke, huishoudelijke, schulden blijven beide echtgenoten echter ook na de echtscheiding voor het geheel hoofdelijk aansprakelijk. Indien sprake is van andere gemeenschappelijke schulden (dus alle schulden die niet zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding) kan een crediteur de ex-echtgenoot “slechts” aanspreken voor de helft van die schuld. Voor dat gedeelte zijn de ex-echtgenoten hoofdelijk met elkaar verbonden.
Hoge Raad
Omdat de belanghebbende in deze zaak geen feiten had gesteld die verknochtheid meebrachten in verband met de aard van de baten waarop die schulden betrekking hadden, heeft de Hoge Raad geconcludeerd dat een IB-schuld geen privéschuld is. Hierbij wordt opgemerkt dat een IB-schuld van een ex-echtgenoot die op huwelijkse voorwaarden is gehuwd in het algemeen wél een privéschuld zal zijn. Één en ander is afhankelijk van wat de echtgenoten hierover hebben afgesproken.
Vervolgens heeft de Hoge Raad in de tweede uitspraak antwoord gegeven op de vraag of een IB-schuld een huishoudelijke schuld is. De Hoge Raad overweegt dat het onjuist is dat belastingschulden per definitie behoren tot de uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Dit geldt meer in het bijzonder voor schulden op grond van de Inkomstenbelasting. Betaling van die belastingschulden strekt immers tot voldoening aan wettelijke verplichtingen jegens de overheid, waarna een in beginsel vrij besteedbaar inkomen resteert. Dat inkomen kan worden aangewend voor uiteenlopende doeleinden. Dat doel hoeft niet persé de betaling van huishoudelijke schulden te zijn. De Hoge Raad concludeert hierdoor dat IB-schulden geen huishoudelijke schulden zijn.

